Het stedelijk museum vindt zijn onderkomen in het Oud-Hospitaal, een voormalig ziekenhuis – bescheiden ontstaan in de 13de eeuw - dat in de volksmond ook de naam ,,Gasthuis’’ meekreeg.

Uitgebreid zoeken »

Actueel


Museum nieuwsbrief




Ontvang HTML?

Historiek

 

Eind 1901 beslist het Stadsbestuur van Aalst een Oudheidkundig Museum op te richten, waarvoor de kapel van het voormalige hospitaal ter beschikking wordt gesteld. Inrichting en bestuur vertrouwt men toe aan een bijzondere commissie ’Commission administrative du Musée communal de la ville d’ Alost’, benoemd op 23 december 1901. Tijdens de eerste vergadering van deze commissie (16 juni 1902) pleit voorzitter Jean Moens er voor een tweeledig doel na te streven: het verzamelen van historische voorwerpen en het inrichten van een Oudheid- en Geschiedkundige Kring voor de wetenschappelijke studie. Dit voorstel wordt na enige aarzeling aanvaard en al snel neemt deze Kring de werking en het beheer van de commissie over.

De statuten van de ’Oudheidkundige Kring van de Stad en het voormalige Land van Aalst -Société Archéologique de la ville et de l’ancien Pars d’ Alost’ worden goedgekeurd op 13 augustus 1903 (officiële stichtingsdatum 12 maart 1903). Hierin lezen we dat ’het doel van den Oudheidkundigen Kring is: de bestanddeelen eener bibliotheek verzamelen, een openbaar museum stichten te Aalst en onuitgegeven documenten, bijzonderlijk over de geschiedenis der steden en gemeenten van het Arrondissement, in het licht geven’.

Tot begin 1914 blijft de Kring erg actief en legt de basis van de museumcollectie door het aankopen en verkrijgen door schenking van talrijke archeologische relicten en (kunst-) historische voorwerpen. Tevens wordt een bibliotheek aangelegd (aankoop + schenkingen), die zich nu grotendeels in het Stadsarchief bevindt. Hieronder bevinden zich o.a. een reeks originele drukken van Dirk Martens en talloze archivalia. Ook was de Kring actief door het uitgeven, van 1904 tot 1914, van de’ Annalen’, waarin geschiedkundige bijdragen van de hand van de leden verschenen.

In juli 1906 wordt het museum voor een eerste maal opengesteld voor het publiek, slechts voor één dag ter gelegenheid van de kermisfeesten wat de volgende jaren herhaald wordt. Eind 1911 verlaat men de lokalen van het Oud-Hospitaal om een nieuwe huisvesting te vinden in het centraal gelegen historische Oud-Schepenhuis (Belfort). Bij de nieuwe opstelling van de verzameling wordt grote aandacht besteed aan het educatieve aspect met aandacht voor een goede beschrijving der chronologisch geordende objecten. Vanaf 23 maart 1913 wordt het museum wekelijks opengesteld voor het publiek: elke zondag van 10 tot 13 uur.

Wanneer de Oudheidkundige Kring, jarenlang motor van het museum, na de Eerste Wereldoorlog niet meer opgestart wordt, neemt het Stadsbestuur de werking van het museum op zich. De uitbouw van de verzamelingen gebeurt dan echter niet zo expansief meer en de aandacht wordt meer gericht op de presentatie van de verzameling, eerder dan op studie of uitbreiding van de collectie.

In 1959-1965 wordt het gebouwencomplex Oud-Hospitaal grondig gerestaureerd, en men besluit er het Stedelijk Museum opnieuw in onder te brengen. Waar tot 1911 enkel de kapel ingenomen werd, gaat het museum nu het volledige kloosterpand vullen.

 

Visie

 

Het stedelijk museum vindt zijn onderkomen in het Oud-Hospitaal, een voormalig ziekenhuis – bescheiden ontstaan in de 13de eeuw - dat in de volksmond ook de naam ,,Gasthuis’’ meekreeg. Voor veel Aalstenaars is ’t gasthuis nog steeds een gangbare aanduiding voor de museumsite.

De straat waar het ziekenhuis in modernere tijden een volgend onderkomen vond, kreeg niet voor niets de naam ,,Gasthuisstraat’’. De idee voor het project en de naam ervoor verwijst naar die oorsprong. In een gasthuis worden gasten ontvangen, gehoord, verder geholpen. Ze worden gastvrij onthaald, er worden hen instrumenten aangereikt om zich comfortabel, op zijn gemak en thuis te voelen.

Een inhoudelijke én vormelijke herinrichting van het museum wordt voorbereid en uitgewerkt, waarbij een ‘stuurgroep’ een belangrijke adviserende rol speelt. Vanuit deze stuurgroep werd er voor gekozen een hedendaagse invulling te geven aan het museum als ‘stadsmuseum’, waarbij het verhaal van stad én regio centraal staat. Het museum maakt door middel van objecten, documenten, getuigenissen, audiovisueel materiaal enz… de diverse aspecten van het maatschappelijke en culturele leven zichtbaar. Hierdoor worden de inwoners geïnformeerd over hun wortels en identiteit, waarbij echter steeds een kritische ingesteldheid en een veelheid aan mogelijke interpretaties voorop staan. Toch worden voldoende ‘bovenregionale’ aspecten belicht, waardoor de inhoud een ruimere, meer universele betekenis krijgt. Bovendien dient het museum voor stad en regio ook te werken als een katalysator op verschillende terreinen (erfgoed, cultuur, toerisme, …): door middel van synergieën en samenwerkingsverbanden ontstaat een nieuwe dynamiek, die het zuiver lokale aspect overstijgt.

Hierbij wordt gefocust op enkele periodes in de rijke geschiedenis van het Land van Aalst die als scharnierpunten kunnen worden beschouwd, en op de personen die hiervoor symbool kunnen staan:

  • vroege Middeleeuwen, ontstaan van de zelfstandige stad: Iwein van Aalst
  • Renaissance en humanisme: Dirk Martens (boekdrukkunst), Pieter Coecke van Aelst
  • 19de eeuw: industrialisering, sociale problematiek: priester Daens, Louis Paul Boon
  • rustpunt in het verhaal: Valerius De Saedeleer

Belangrijk hierbij is de inrichting van de eerste zaal van het museum als ‘oriëntatie- en onthaalpunt’, waar aangeduid wordt wat de bezoeker kan verwachten van het museumbezoek, maar waar tevens dieper en ruimer kan ingegaan worden op de verschillende aangeraakte thema’s, waar het hele verhaal van stad & regio in vogelvlucht kan worden gebracht. Een soort foyer-documentatieruimte, met boeken en tijdschriften, ruime info, internettoegang, met plaats en ruimte om in te spelen op actuele thema’s, zowel van lokaal als nationaal/internationaal belang. Dit alles dient sterk drempelverlagend te werken, en een uitbreiding van het doelpubliek tot gevolg te hebben. Ook als ruim infopunt naar erfgoedontsluiting en toeristische recreatie dient deze onthaalruimte een rol te spelen.

 

Wat is een museum?

 

Volgens de ICOM-defintie (International Council of Museums):

Een museum is een permanente instelling ten dienste van de gemeen¬schap en haar ontwikkeling. Het is toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst en die de mate¬riële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verwerft, behoudt, beheert, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen.